Kansengelijkheid is een van de meest besproken thema’s in het Nederlandse onderwijs. Scholen schrijven massaal in hun visiedocumenten dat ze “gelijke kansen” willen bieden. Maar wat betekent dat eigenlijk in de praktijk? En welke eisen stelt kansengelijkheid nu echt aan het onderwijs? In een recent gesprek bij de podcast Tjipcast ging onderwijsonderzoeker en voorzitter van de Onderwijsraad, Louise Elffers, uitgebreid in op deze vragen. Haar inzichten zijn ontzettend prikkelend en vormen ook een spiegel voor ons hele onderwijssysteem.

Onderwijs als belofte en als beperking

Nederland behoort tot de rijkste landen ter wereld. Op papier heeft ieder kind toegang tot goed onderwijs, ongeacht afkomst of inkomen. Dat is een groot goed: ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat hun kind op school degelijk onderwijs krijgt. Toch blijkt de praktijk weerbarstiger.

Gelijke kansen op wat eigenlijk?

Elffers wijst erop dat onderwijs niet alleen functioneert als de grote gelijkmaker, maar ook als grote ongelijkmaker. Hoewel veel leerlingen vergelijkbaar presteren, zien we dat schoolloopbanen toch sterk uiteenlopen. Vooral de overgang van primair naar voortgezet onderwijs speelt hierin een cruciale rol: adviezen en plaatsingen verlopen ongelijk en leiden tot kansen die niet in verhouding staan tot de feitelijke prestaties.

Daarmee draagt het onderwijs niet alleen bij aan het reduceren van ongelijkheid, maar reproduceert en versterkt het die soms juist.

Kansengelijkheid: kans op wat?

Een van de scherpste vragen die Elffers stelt, is: gelijke kansen op wat eigenlijk? Kansengelijkheid is een containerbegrip geworden. Scholen en beleidsmakers hanteren het, maar zonder duidelijk te maken wat ze precies bedoelen. Gaat het om gelijke kansen op:

Juist door dit concreet te maken, kunnen scholen keuzes maken. Anders blijft kansengelijkheid een loze kreet.

De druk van diplomakapitalisme

Een belangrijk concept dat Elffers naar voren brengt is diplomacapitalisme. Opleidingsniveau is in onze samenleving een doorslaggevende factor geworden voor welvaart en welzijn. Ouders voelen daarom een enorme prikkel om hun kinderen zo hoog mogelijk te laten eindigen.

We zien dat terug in de opkomst van schaduwonderwijs: bijlessen, examentrainingen en huiswerkbegeleiding. Ouders doen dit vaak niet omdat ze hun kind koste wat kost willen pushen, maar uit angst dat hun kind anders achterblijft. Het onderwijs is zo steeds meer een arena van competitie geworden, een “red race” waarin hoog, hoger, hoogst de norm lijkt.

Dit mechanisme zorgt ervoor dat kansengelijkheid niet alleen een kwestie van schoolbeleid is, maar diep verweven is met bredere maatschappelijke structuren. Het onderwijssysteem weerspiegelt de hiërarchie van de samenleving – en versterkt die soms.

Vroegselectie en determinatie

Nederland kent een van de vroegste selectiemomenten in Europa: rond groep 8 wordt een advies gegeven dat de route van een kind voor jaren bepaalt. Hoewel er overlap is in de vaardigheden van vmbo-, havo- en vwo-leerlingen, scheiden we leerlingen strikt. Routes verschillen in duur, vakinhoud en verwachtingen, waardoor leerkansen ongelijk verdeeld zijn.

Volgens Elffers overschaduwt deze focus op selectie vaak de pedagogische opdracht van onderwijs. Al in het basisonderwijs klinkt de gedachte dat een kind “een kaderkind” is of “een havokind”. Daarmee zetten we kinderen vast in hokjes die ontwikkeling eerder beperken dan stimuleren.

Het pleidooi van de Onderwijsraad en van Elffers is helder: stel selectie uit en richt het voortgezet onderwijs flexibeler in. Brede schoolgemeenschappen, waarin routes naast elkaar bestaan en wisselen mogelijk blijft, bieden leerlingen meer ruimte om te groeien en hun interesses te ontdekken.

Gelijke kansen vragen ongelijke behandeling – maar niet altijd

Een veelgehoorde uitspraak is dat je voor gelijke kansen soms ongelijke behandeling nodig hebt. Dat klopt, maar slechts gedeeltelijk. Leraren differentiëren dagelijks – de een krijgt meer uitleg, de ander extra uitdaging. Maar er zijn ook momenten waarop juist ongelijke behandeling ongelijke kansen schept.

Denk aan het voorbeeld van leerlingen die gelijk presteren, maar ongelijk worden geadviseerd voor hun vervolgroute. Of aan de verschillende waardering van diploma’s: mbo, hbo en wo worden in de samenleving niet gelijk beloond of gewaardeerd. Daardoor krijgen leerlingen uit minder geprivilegieerde gezinnen structureel minder kansen om hun talenten volledig te benutten.

Kansengelijkheid vraagt dus om kritisch kijken naar waar differentiëren nodig is en waar gelijke behandeling essentieel is.

Minimale toerusting én ruimte voor talent

Onderwijs heeft een dubbele opdracht. Enerzijds moet het zorgen voor een minimale toerusting: ieder kind moet een basisniveau van taal, rekenen en kennis meekrijgen om te kunnen functioneren in de samenleving. Hiervoor is vaak ongelijke investering nodig – sommige leerlingen hebben meer steun nodig om dit niveau te behalen.

Anderzijds moet onderwijs ook ruimte bieden voor eigen interesses en talenten. Leerlingen moeten in aanraking komen met diverse werelden, zodat ze zich kunnen vormen tot wie ze kunnen en willen zijn. Dat vraagt om meer openheid en flexibiliteit in routes, zodat kinderen niet op elfjarige leeftijd al “vaststaan” maar juist kunnen experimenteren en wisselen.

Het radicale midden

Wat kansengelijkheid van het onderwijs vraagt, is niet het kiezen tussen twee uitersten:

Tussen die uitersten ligt een radicaal midden. Een aanpak die ruimte geeft aan verschillen, maar leerlingen niet onnodig vroeg vastzet. Een systeem dat niet denkt in gestolde talenten of aangeboren IQ, maar in ontwikkeling. Onderwijs kan en moet bijdragen aan groei, aan het ontstijgen van verwachtingen.

Op naar bredere leerkansen

Kansengelijkheid is geen abstract ideaal is, maar een concrete opdracht. Die opdracht vraagt om keuzes:

Uiteindelijk is de kern dat we jonge kinderen niet moeten belasten met de druk van competitie, maar juist maximale leerkansen moeten bieden. Onderwijs kan het verschil maken – maar dan moeten we het onderwijs ook toestaan om dat verschil te maken.

Onderwijs moet werelden ontsluiten voor ieder kind, ongeacht thuissituatie. Het moet kansen scheppen om verwachtingen te ontstijgen, niet om ze te bevestigen. Dat vraagt om lef, systemische veranderingen en een andere manier van waarderen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *